interview

Bert van de Kamp: herinneringen aan 30 jaar popjournalistiek

Dertig jaar werkte hij voor OOR, de éminence grise van de Nederlandse popjournalistiek en winnaar van de eerste Pop Pers Prijs in 1995. ‘The best lack all conviction, while the worst are full of passionate intensity.’ Deze woorden van de Ierse dichter W.B. Yeats, niet toevallig de levensspreuk van Lou Reed, zijn voormalig OOR-redacteur Bert van de Kamp op het Brabantse lijf geschreven. Hij was nooit een fanatiek of bovenmatig ambitieus mens, maar heeft zijn hele leven op een wonderbaarlijke wijze precies gedaan wat hij wilde doen. Over muziek schrijven en zijn helden interviewen.

Fotografie Titia Hahne

‘Ik zie mezelf als een zondagskind in de journalistiek. Een postillon d’amour tussen de fans en de artiesten, die vragen stelde namens de fans. Tuurlijk ben ik wel kritisch. Er wordt altijd gezegd: Ja, jij vindt alles van Bob Dylan goed. Maar ik heb wel drie platen van hem afgekraakt in de jaren tachtig. Zoek de recensies maar op. Een collega van me vroeg ooit: Vind je het ook zo lekker, een plaat of een concert afkraken? Ik wist absoluut niet waar die persoon het over had. Ik vind dat helemaal niet ‘lekker’. Ik vind ophemelen prettiger dan afkraken.’

Je benaderde geïnterviewden in je carrière doorgaans welwillend. Klikte het ook wel eens niet?

‘Ik heb een keer een interview afgebroken. Ik weet niet eens meer hoe de goede man [Martin Degville] heette. Hij had getoupeerd haar en een nylonkous over zijn gezicht. De zanger van Sigue Sigue Sputnik, een volkomen nepgroep uit de jaren tachtig. Die zei dus: Gooi een paar atoombommen op Afrika en de honger aldaar is voorbij. Toen heb ik het interview beëindigd. Ik dacht: met zo’n sujet wil ik niet praten. Ik kon hem al niet serieus nemen zoals hij eruit zag.’

Was het ooit, lang geleden je ambitie om bij OOR te gaan werken? 

‘Ja! Ik wilde dolgraag. Tot mijn stomme verbazing had ik in 1972 een recensiewedstrijd gewonnen. Mijn vrouw Invy had ‘m gepost buiten mijn toestemming om. Ik had op een typemachine een recensie geschreven over de eerste lp van Roxy Music, maar hij was nog niet af. Ik had al eens eerder een recensie geschreven van een plaat van Leon Russell, Carney, voor het legendarische blad Hitweek, dat net z’n naam had veranderd in Aloha. Die recensie had ik niet opgestuurd, omdat ik zag dat Pieter Franssen de plaat al had gerecenseerd in dat blad. Ik kwam op een dag thuis van college en zei tegen Invy: Wat is er met dat stukkie gebeurd dat ik geschreven had over Roxy Music? Dat heb ik opgestuurd. Ik zeg: Dat was een eerste proefversie. Ja, zegt ze, jij schrijft altijd van die dingen, maar stuurt het nooit op. Ik dacht: bedankt! Ik ging voor de tweede tot en met de tiende prijs, dat was een pakket van zestien lp’s. Ik dacht: de eerste prijs, die win ik toch niet. Een paar maanden later werd ik gebeld dat ik gewonnen had. Een reis voor twee personen naar Londen, zakgeld erbij. De toenmalige hoofdredacteur Barend Toet zei: Als je dan toch naar Londen gaat, dan kun je misschien voor OOR al een interview doen. Ik kende heel die Barend niet, hoor. Ik vroeg: Met wie? Hij: Met Pete Townshend, ik gooi je meteen in het diepe, begin maar meteen met een grote naam. Pete Townshend ging uiteindelijk niet door. Die zat in een hutje op de hei nieuwe nummers te schrijven. Maar John Entwistle, de bassist van The Who, was wel beschikbaar. Hij had net een soort soloplaat uit, met een groep van hem, Rigor Mortis. De titel van de lp was Rigor Mortis Sets In. Een van de nummers heette Do The Dangle. Dan moest je op een stoel gaan staan, een touw om je nek binden en de stoel wegschoppen: You’re dancing on air, Baby, do the dangle. Dat was typisch die zwarte humor van John Entwistle. Invy en ik zijn bij hem thuis geweest. Dat was een belevenis eerste klas. Er stonden allemaal ridderharnassen in de gang. Overal hingen oude geweren, pistolen en musketten. Hij had onderzettertjes, daar zette je je glas op en dan liep dat onderzettertje uit zichzelf zo naar de rand van de tafel en bleef daar stilstaan. Dat was mijn eerste interview dus. We sliepen in Londen in het Portobello Hotel, een artiestenhotel, en werden gek van onze buurman die de hele nacht Alice Cooper zat te draaien. Ik wilde me voorbereiden op het interview met John Entwistle en zijn eerdere platen beluisteren, die ik net had aangeschaft. Ik klop op die deur van de buurman om te vragen: mag ik op jouw pick-up die platen draaien? Die man doet open. Het is een stikdonkere kamer, er ligt een vrouw op een bank te slapen. Het ruikt ontzettend naar de hasj. Ik mocht die platen wel draaien. Maar, zei hij, waarom wil je mij niet interviewen? Ik kan ook de hele band uitnodigen, morgen. Dan is Stevie er ook bij. Hij bedoelde Stevie Winwood. Mijn buurman was Chris Wood, de saxofonist van Traffic! De hele nacht was er weer keiharde muziek. We konden bijna niet slapen. De volgende dag klop ik tevergeefs op zijn deur. De man van de receptie zegt: Die meneer is vannacht uit het hotel verwijderd wegens opschudding. Ik kan u de kamer laten zien. Nou, welkom in de wonderful world of rock & roll. Ze hadden een vuurtje gestookt en de televisie in de hoek kapot gesmeten. Alles was geblakerd. Ik dacht: dit is toch echt wel de vuurdoop. Van het interview met Traffic is niets meer gekomen. Mijn eerste plaatrecensie voor OOR stond in OOR 2 van 1973. Over Vinegar Joe, de groep met Robert Palmer en Elkie Brooks. Toen had ik al meteen een nieuw woord bedacht. Zweetrock. Dat stond er als kop boven. Een sterk begin, vond ik zelf. In augustus kwam ik in de redactie. Ik woonde in Amsterdam Noord in een studentenflat en studeerde Nederlands. Mijn studie liep gewoon door, OOR deed ik ernaast . We hadden op dat moment net de grote transfer gehad. Het was een beetje Johan Cruyff die naar Feyenoord ging. Constant Meijers, die voor Aloha werkte, was naar OOR gehaald. Aloha was erg anti-OOR in die tijd. Constant werd door Barend gelokt met een salaris, bij Aloha verdiende hij helemaal niks. Mijn toetreden bij OOR viel samen met de komst van Meijers. Een van de eerste dingen die Constant deed was Barend Toet buitenspel zetten. Toet mocht niet meer schrijven. Hij zei tegen Toet: Jij bent directeur en een directeur schrijft geen recensies en geen artikelen. Wij steunden Constant daarin.’

Wat VOOR MENSEN trof je ten burele bij OOR?

‘Nou, ik was het product van de jaren zestig, van de tegencultuur, van de Hitweek-generatie. Wij dachten alternatief, we dachten underground. Wij dachten dat de mensen in Amsterdam, vooral rond het blad Hitweek, maar ook rond het blad OOR, helemaal op onze golflengte zaten. Dat bleek dus niet zo te zijn. Ik kwam uit de provincie. Ik had in een vriendenclubje gezeten dat naar popmuziek luisterde. Wij waren allemaal fan van Bob Dylan. Bob Dylan luisteren, dat waren seances. Dan zetten wij een plaat van hem op, werd er bescheiden geblowd en luisterden wij aandachtig naar zijn teksten. Bob was God. Nou, ik kwam in Amsterdam bij OOR. Niemand van de OOR-redactie was fan van Bob Dylan. Het voordeel was: wie mocht er in OOR over Bob Dylan schrijven? Moi! In de jaren zeventig stond er een verhaal in Hitweek dat De Nieuwe Zakelijkheid heette. Het ging o.a. over The J. Geils Band. Niks geen hippiegedreutel of flower power meer, nee, boem, keiharde stadsblues. Die Nieuwe Zakelijkheid trof ik ook bij OOR aan. De heer Meijers, een hoofdredacteur die keurig op tijd achter zijn bureau zat, de post doornam en dan in een kladblokje met streepjes turfde wat de lezers wilden. Ze wilden lezen over een nieuw genre, waar niemand van ons van hield. Wij hielden van The Byrds en de Flying Burrito Brothers. Het Byrds-Burrito-Bomenbos noemden we dat. Wij hielden niet van hardrock. Hardrock was het nieuwe genre, het kwam toen op. Ik was er helemaal geen fan van. Maar Constant, dat was typisch die nieuwe zakelijkheid, had zoveel streepjes achter Led Zeppelin, Deep Purple en Uriah Heep zien staan, dat hij zei: Daar moet iemand over gaan schrijven, wil jij dat niet gaan doen? Ik zat die zomer als Constants assistent zo’n beetje vakantiewerk te doen. Ik had helemaal geen hardrockplaten. Constant pakte de telefoon en aan het eind van de week had ik drie Led Zeppelins en drie Black Sabbaths in huis. Ik draaide ze en het viel nog niet eens tegen ook. Vervolgens ging ik naar zo’n concert toe, mijn eerste was Uriah Heep. Ze deden gewoon hardrock in het Concertgebouw – wisten zij veel, het was nieuw! Het publiek stond al op de stoelen voor er een noot gespeeld was. Dat had ik ook nog nooit meegemaakt. Wij keken altijd heel kritisch toe. Maar nee, dit waren laaiend enthousiaste mensen. Die band kwam op, de zanger ging achter de microfoon staan in het stikkedonker en riep: Amsterdam, are you all right?! Ze braken de tent af, en het concert moest nog beginnen! Ik dacht: wat is dit voor een heksenketel? Wat heb ik gemist al die tijd? [Krijst de zanger van Uriah Heep na:] I was only seventeen, I fell in love with my gypsy queen, She told me… boem, boem. Lichten aan! Rookbommen! En iedereen schreeuwend op de stoelen! Wat een feest! Rock & roll! Ik heb me toen volledig op de hardrock gestort.’

Ben je zo op Lou Reed gekomen? De artiest over wie je in de jaren zeventig het meeste zou gaan schrijven. Hij werkte op dat moment met twee hardrockgitaristen, Dick Wagner en Steve Hunter.

‘Nee, de eerste Velvet Underground-plaat had ik meteen gekocht toen hij uitkwam. Mijn zus werkte in een platenwinkel in Nunspeet. Zij bestelde ‘m voor me in Amerika. Ik heb ‘m in de Amerikaanse hoes, met de afpelbare banaan. Die fase met Wagner en Hunter, dat vond ik machtig. Ik had Lou gevolgd vanaf The Velvet Underground. Toen kwam Berlin uit in 1973. Daar schreef ik een opener over. Berlijnse Tragedie stond erboven. Ik las in de Volkskrant: De critici hadden het niet zo op met Berlin, die hebben de plaat toen vrijwel genegeerd. Nou, ik had een paginagrote voorbespreking, jubelend. Alleen in het blad Rolling Stone werd hij afgekraakt. Dat gaat dan een eigen leven leiden.’

Je ontmoette Lou Reed.

‘Ik kwam aanvankelijk niet bij hem in de buurt. Hij deed geen interviews. In die tijd gingen we dan naar zijn hotel. Aan de bar met de jongens van de band praten. Ik heb met Steve Hunter en Dick Wagner aan de bar gezeten van het Sonesta hotel. De tourmanager, een vrouw, kwam naar buiten. Ik sprak haar aan en dan zei ze: Hij doet geen interviews, sorry. Maar weet jij het dichtstbijzijnde postkantoor? Ik zeg: Ik loop wel even met u mee. Onderweg kreeg ik te horen welk boek hij las en hoe laat hij opstond. Ze was best vriendelijk. Een jaar later moest ik mijn kaarten ophalen voor een Lou Reed-show in de Rotterdamse Doelen. Er zat een briefje bij: Bert, kom zo spoedig mogelijk naar het Hilton Hotel. Dat lag naast De Doelen. Het briefje kwam van Leon Ramakers van Mojo. Hij zei: We zitten met een probleem, want Lou heeft de Muziek Expres te pakken gekregen en daarin staat De Grote Lou Reed Story. Reed was toen heel erg groot in Nederland. In Amerika werd er niet over hem geschreven, in Engeland een klein beetje. Maar in Nederland was hij de nieuwe Bob Dylan, de koning van de underground. Leon zei: Hij wil dat iemand dat voor hem vertaalt, want hij ziet er allemaal namen staan en dat wekt zijn nieuwsgierigheid. Ik dacht meteen aan jou. Berry Visser en Leon Ramakers van Mojo waren destijds aandeelhouders van OOR, hè? Die dachten: we gaan OOR matsen. Dus ik werd toegelaten op de kamer van Lou. Pikdonker, ik moest echt aan het donker wennen, er brandde maar een klein lampje. Op de bank opnieuw een mooie vrouw, wat later een man bleek te zijn.’

Dat was die Rachel, een travestiet waarmee Lou destijds ‘getrouwd’ was?

‘Ja. Dan gaat op een gegeven moment de deur open en komt hij dus heel theatraal binnen waaien met een zonnebril op, alsof hij op het podium kwam. Hij gooit de nieuwe Muziek Expres mijn kant op en zegt: Translate! De eerste zin was al verschrikkelijk: Hoe lang zal hij zijn frêle, uitgeteerde lichaam nog over de podia slepen? Hij staat nummer twee op de dodenlijst van de rock & roll, onmiddellijk na Keith Richards. Ik keek ’m aan, want ik wilde weten wat zijn reactie daarop was. Zegt ie: Continue! Hij gaf geen commentaar. Toen kwam ik bij de naam van Barbara Rubin aan. En hij zegt: Hoe weten ze dat? Barbara Rubin had Lou en de Velvets geïntroduceerd bij Andy Warhol. Ik zeg: Klopt dat dan? Ja, zegt hij, dat klopt, maar hoe weten ze dat? Zo raakten we in gesprek. Kom na afloop van mijn show nog maar even een praatje maken, zei Lou zomaar bij het afscheid. Dat heb ik gedaan. Ik heb de hele nacht met hem doorgebracht. We hebben niet geslapen. We gingen ’s ochtends naar het ontbijt, maar dat was voor ons het diner. Wij bestelden biefstuk. Hij at bijna niets, sneed een paar stukjes vlees af, raakte de aardappels en de groente niet aan. Hij zei een paar keer: Als je hierover schrijft, I kill you! Het was een ongelooflijk iets. Ik moest Invy bellen: Ik kom niet thuis, want ik zit bij Lou op de kamer. Hij zette mij een koptelefoon op en ik moest zijn nieuwe plaat horen. Dat bleek de noiseplaat Metal Machine Music te zijn. Na tien minuten zet ik die koptelefoon af. Ik zeg: Wat is dit?! Toen moest hij lachen. Hij zei: Je hebt het record verbroken, het record stond op zeven minuten. Hij mocht mij op een of andere manier. Lou Reed heeft mij een paar jaar geleden aan zijn vrouw Laurie Anderson voorgesteld met de woorden: Je weet hoe ik over journalisten denk, maar dit is de uitzondering. Toen wees hij op mij. Dat was op Crossing Border, toen moest ik hem aankondigen. Hij zei erbij: Met hem kun je ook nog over andere dingen praten dan over muziek. Tijdens ons eerste gesprek in 1974 hebben we het ook over Shakespeare gehad en Raymond Chandler en Hubert Selby, Jr. Ik heb later een verhaal in de OOR geschreven: The Hamlet Of Electricity. Dat kwam uit een gedicht van hem. Hij liet me zijn gedichten zien, die nog steeds niet gepubliceerd zijn. Scared to death by life itself, even more by death, kan ik me nog herinneren. Die Hamlet Of Electricity, dat was hij zelf natuurlijk. Hij stelde me ook op de proef. Na een uur zei hij: Heb je wel eens heroïne gebruikt? Ik dacht: nu val ik door de mand als square vogel. Zo heette dat, als je niet hip was, was je square. Maar ik dacht: ik kan maar het beste eerlijk zijn, dus ik zei tegen hem: Nee, niet echt, nee, ik heb het nooit gebruikt. Toen begon hij een verhaal af te steken over al die mensen die tegen hem zeiden: Als ik een shotje neem, zet ik jouw muziek op en dan ga ik helemaal uit mijn bol. Hij haatte dat volk! Hij vond dat een bunch of losers.’

Heel veel goede muziek uit de jaren zeventig werd gemaakt door mensen die aan harddrugs verslaafd waren. Jij was een soort duider van die mensen.

‘Ik kon op een of andere manier wel goed met ze opschieten. Iggy Pop heb ik in die tijd ook ontmoet. Die begon ieder interview weer met de zin dat hij helemaal clean was, dat hij er helemaal vanaf was. Dus: het schoot niet op. Ik heb altijd veel begrip gehad voor de donkere kant van het bestaan. Voor de zelfkant, de romantisch-decadente kant. Ik kende de onderwereldromantiek die met drugsgebruik verbonden was uit de boeken die ik las. Het komt regelrecht uit de literatuur voort. Ik las in de jaren zestig On The Road van Kerouac. Dat is geen somber, decadent boek, maar er komt wel drugsgebruik in voort. En vooral extase. Het gevoel van: het leven is geweldig. De kick! Dat woordje is ook heel belangrijk. Dat heb ik bij Kerouac opgepikt. Dan komt er ineens een artiest, die heet Dylan, die daar een rock & roll-beat onder zet. Bob Dylan is gewoon Jack Kerouac en Chuck Berry in een innige relatie. Ik stuitte ook op de Franse symbolisten, Rimbaud, Verlaine en Baudelaire enzo. Daar moest ik wel een woordenboek naast hebben. Je begreep die teksten niet helemaal, maar ik heb altijd interesse gehad in boeken die ik niet begreep. Altijd net iets boven je macht grijpen, dat heeft wel wat. Door de literatuur had ik een referentiekader waarmee ik de teksten van die artiesten te lijf kon. Ik heb met Iggy Pop een hele discussie gehad over À Rebours van Joris-Karl Huysmans. Against Nature heet dat in het Engels; Tegen De Keer in het Nederlands. Daar was hij fan van. Vlak voor dat interview kwam een schaakvriend van mij naar me toe en zei: Ik heb een vriendin en die kent Iggy Pop persoonlijk. Ene Hetty. Ze wil je ontmoeten. Hetty bleek een leuke, intelligente vrouw. Ik zei: Ik moet Iggy interviewen in de Toppop-studio en je kunt mee als je wilt. Dat vond ze geweldig, want ze had in LA gewoond en een serieuze relatie met hem gehad. Iggy komt de Toppop-studio binnen en ziet haar. Nou, ze vallen elkaar in de armen. Vijf minuten later staan ze samen onder de douche. Mijn interview… daar moest ik even echt mijn best voor doen. Ik weet niet of het die dag was dat hij in die boom ging hangen en het hele decor afbrak, maar dat zou zomaar kunnen. Hij was helemaal door het dolle heen. Hij begon het interview met me uitvoerig te bedanken voor Hetty. Ik voelde me net het programma Spoorloos. Ja, dan zit je meteen met boter en suiker bij zo’n artiest omdat je hem verenigd hebt met een oude liefde. Die Hetty nam hem vervolgens mee naar huis. Ik mocht natuurlijk ook mee. Ze woonde in de Amsterdamse binnenstad, maar ze had op dat moment een relatie met een jongen, en dat was een kleine crimineel. Een cokedealer. Die vond dat geweldig: Iggy Pop in huis, laat de spiegel maar rondgaan! Toen heb ik dus voor de tweede en laatste keer in mijn leven coke gesnoven. Het was net of ik bij de tandarts was geweest. Mijn hele nek was gevoelloos geworden. Mijn gebit ook, ze konden al mijn tanden trekken, bij wijze van spreken. En dan had ik nog maar een half lijntje gesnoven. En Iggy, die snoof zo twee lijntjes achter elkaar.’

Hadden de mensen van OOR destijds veel contact met elkaar? 

‘Nee, je zat allemaal toch een beetje op een eiland. Ik ging niet naar concerten waar ik niks mee had. We zaten in de Lange Leidsedwarsstraat, hartje Amsterdam. De uitgeverij Keihard En Swingend was net opgericht, dat was eigenlijk mijn leukste tijd bij OOR: ‘73, ‘74, ‘75. Aan de voorkant had je dan de redactie en de advertentieverkoop. Achter had je de studio waar het blad werd opgemaakt. Daar zat de vormgever, George Noordanus. Op de redactie stond vrijwel nooit muziek aan, maar bij George altijd. George had ook altijd een kratje pils. Dat was zoals ik me een redactie van een popblad voorstelde. Ik herinner me nog een vrijdagmiddag dat Barend, George en ik een pilsje gingen drinken in een kroeg in de Lange Leidsedwarsstraat. Daar zaten vrouwen. En als Barend vrouwen zag, dan moesten ze versierd worden. Barend was een enorme meidengek. George ook. Ik ook wel hoor, maar ik ben niet het versierderstype, zoals je misschien zult begrijpen. Het jachtinstinct kwam bij Barend naar boven, maar die meiden lieten zich niet verschalken. Toen was er nog maar een redding voor Barend. Naar de hoeren! Hij zei: Ik geef een rondje. We gingen speciaal terug naar kantoor om geld te halen uit de kas van OOR. Hij gaf mij en George ieder 25 gulden. We spraken af in een café op de hoek in de Walletjes, daar zouden we elkaar weer ontmoeten om te vertellen hoe het was gegaan. Ik kon die 25 gulden goed gebruiken, maar ja, ik moest wel met een verhaal terugkomen. Dus ik liep een steegje in en werd gewenkt door een mevrouw. Voor ik het wist stond ik binnen. Ik denk: O mijn God! Ik zal niet in details treden, maar die vrouw bleek een Duitse te zijn. Ze sprak mij toe met het liefkozende woordje Poepie. Daar knapte ik gigantisch op af. Dus ik kon gewoon niks. Mach mal fort, Poepie, en zo. Ik voelde aan haar borsten. Die waren zo hard als biljartballen, kennelijk silicone, dat wond me ook al niet op. Naderhand vertelde ik dat verhaal in de kroeg. Zegt Barend: Dat is geen Duitse, dat is een Oostenrijkse! Die kende kortom alle hoeren daar. Later, ik kom thuis, vertel ik dat verhaal tegen Invy. Dat heb ik ook te horen gekregen van Barend, want Invy was op dat moment Barends secretaresse. De volgende dag vroeg ze aan Barend: Ben je gisteren naar de hoeren geweest? Komt ie bij mij: Dat vertel je toch niet tegen je vrouw? Dat voorval was eenmalig, hoor.’

Gaf werken voor OOR je destijds een bevoorrecht gevoel?

‘Je zag jezelf wel als een verlengstuk van de popmuziek. Op een gegeven moment beschouwde ik mezelf toch wel als de enige echte undergroundfiguur bij OOR. Zo zag ik er ook uit. Heel veel haar en een grote snor. En altijd kwaad kijken!’

Je leek op iemand uit Soft Machine.

‘Ik ben ook wel eens vergeleken met iemand uit de groep The Nice, die zag er ook zo uit. Ik deed ook de freaky dingen. Rare, afwijkende muziek. Ik kon daar enthousiast over worden, en anderen niet. Ik keek enorm op tegen Constant Meijers, diens stukken had ik al gelezen in Aloha. Dat vond ik een persoonlijkheid en iemand die ook wel wat wist. Barend Toet, dat was eigenlijk een aardige schurk, maar wel een zakenman. Robert Briel, daar had ik helemaal niets mee, een commerciële jongen. Dan had je Harry van Nieuwenhoven, die zag eruit als iemand van het ministerie, wat hij ook was. Hij droeg pakken en stropdassen. Je had Bram van Splunteren, die zag eruit als een hippie. Hij had enorm lang haar en zag eruit als een meisje, maar als hij zijn mond opendeed was het ook een keurige koekenbakker. Bram had het op een redactievergadering vaak over een leuke plaat. Toen zei ik: Bram, leuk is niet genoeg, hoor. Een leuke plaat gooi ik zo in de prullenbak. Leuk! Ik haatte dat woord. Ik probeerde altijd meer uit muziek te halen dan er volgens de oppervlakkige beschouwer inzat. Ik wilde het woordje kick, het woordje extase, het woordje trance. Trance en dance, ik had er niks mee, maar ik heb wel het eerste verhaal in de OOR onder de kop Trance And Dance geschreven –over Cabaret Voltaire was dat.’

Je kreeg daar wel de ruimte voor.

‘Dat is het unieke van de jaren zeventig. Alles kon, als je maar enthousiast was. Ik heb pagina’s volgeschreven over Van Der Graaf Generator en hun zanger Peter Hammill. Daar werd in Engelse bladen als Melody Maker en NME niet over geschreven. Ook niet over Kevin Coyne. Dat waren nou toevallig mijn favorieten. Ik kon ongehinderd tekeergaan. Dat veranderde pas midden jaren tachtig. Toen werd er gezegd: Hou nou eens op over die Peter Hammill! Dat vond ik ook terecht, hoor. Maar… oeverloos. Daarom heb ik de latere jaren altijd gefrustreerd rondgelopen, want je kreeg toen het instituut van de redactievergadering. Daar moest je je voorstellen doen en die werden dan aangenomen of niet. Dan kwam ik aan met Dave Van Ronk en dan zei iedereen: Wie is dat?’ 

Op een gegeven moment kwam de punk, wat vond je daarvan?

‘Er ging meteen een OOR-redacteur mee op de loop, Peter van Bruggen. Maar hij deed het niet vanuit zijn enthousiasme voor de muziek, nee, hij vond het een geweldig sociologisch fenomeen. Die jongens met de spelden in de neus, rare teksten en bizarre interviews! Johnny Rotten zei: God is Dog spelled backwards en liefde is wat je voelt voor je hondje. Nou, dat was spekkie voor het bekkie van Van Bruggen, maar ik moest er niet veel van hebben. Tot Invy en ik in december 1977 naar Londen verhuisden. Dat was het centrum van de punk. Toen zijn we naar al die zaaltjes gegaan waar die bandjes optraden. Ik raakte in de ban van Stiff Little Fingers. Dat was de eerste punkband die ik geweldig vond. En je kreeg ook afwijkende punkbands, zoals Pere Ubu, die vond ik ook geweldig, en The Only Ones.’

Was dat de tijd dat Anton Corbijn zich ook in Londen vestigde?

‘Ja, onze flat was eigenlijk de OOR-flat, want OOR betaalde de huur. Invy zei: Ze mogen hier allemaal logeren. Dat was een soort voorwaarde. Zo had iedereen van OOR die naar Londen kwam een slaapadres. Het was vlak bij Westbourne Grove, tussen Queensway en Notting Hill, niet ver van Portobello Road, het hippe gedeelte waar het Notting Hill Carnival was. Anton logeerde aanvankelijk bij ons, terwijl hij op zoek was naar een flatje. Hij vond bij ons om de hoek een basement flat. Heel klein, een keukentje en een kamer die helemaal gevuld was door het bed. Anton was in die tijd getrouwd met Yvet. Als je bij hen op visite kwam moest je op de rand van het bed gaan zitten, het was heel minimaal allemaal. Ik had gehoopt dat ik wat zou kunnen schrijven voor Engelse bladen. Maar ze zien meteen aan je stukken: dat is geen Engels. Anton gooide een foto van Joy Division op tafel, die kwaliteit zagen ze meteen.’

Al je helden zijn mannen, maar je hebt ook wel vrouwen geïnterviewd. Was dat anders?

‘Ik had een goede klik met Kate Bush. Ook al weer door de literatuur. Ze begon over Wuthering Heights en Shakespeare en daar kon ik over meepraten. En Tori Amos greep mijn hand tijdens een interview en zei: Waarom heb ik jou niet eerder ontmoet? Maar dat deed ze bij meerdere mensen, geloof ik. Tori Amos was tijdens ons interview geprikkeld, want ze ging op een gegeven moment op de grond liggen en daarbij verdween haar hand in haar broek. Toen moest ik het over een nummer hebben dat ging over zelfbevrediging en dat werd bijna voor mijn neus gedemonstreerd. Ze zei dingen als: Ik kan het ene moment heel erg aan Jezus denken en het volgende moment denk ik: druk me maar tegen de muur en neuk me maar zo hard als je kunt. Dat was gewoon Gerard Reve! Seks en Jezus Christus met elkaar verbonden. Dat mens wist me wel redelijk van mijn apropos te brengen. Ik was de eerste die haar interviewde en nadat men mijn artikel had gelezen wou iedereen bij OOR haar interviewen, Hans van den Heuvel, Mark van Schaick, iedereen wou dat.’

Nog meer seks, drugs & rock&roll-belevenissen meegemaakt in je journalistieke carrière?

‘Ik ben gespaard gebleven voor buitenissige dingen. Je zou kunnen zeggen: wat een pech heb je gehad, er zijn collega’s die hebben liggen wippen bij Yab Yum met de hele groep Queen, maar dat soort dingen heb ik niet meegemaakt.’

Is het moeilijk ouder te worden in de popjournalistiek? 

‘Het is natuurlijk voor het grootste deel je kop in het zand steken. Ik schrik nog steeds als ik foto’s van mezelf zie. Dan denk ik: wie is die oude man? Zo voel ik me niet. Ik voel me nog steeds een jonge man. Ik merk het ouder worden wel, ook in mijn smaak, ik ga niet meer elke week een andere band goed vinden. Maar dat heb ik eigelijk nooit gedaan.’

Waar ben je nu het meest trots op?

‘Er is een boek verschenen van Leon Verdonschot, met de beste verhalen uit de Nederlandse popjournalistiek en daar staan dan twee verhalen van mij in. Leon koos mijn Leonard Cohen-verhaal en het Peter Hammill Schaak-interview. Ik ben ook trots op een verhaal dat ik over David Bowie heb geschreven. Het heette Een Bijzonder Vreemde Dief. Daarin legde ik uit dat David Bowie de kunst van het plagiarisme tot hoog niveau heeft gebracht. Hij jatte als de raven. Hij gebruikte de cut-up techniek van William Burroughs bij het schrijven van nummers. Dat gaf hij ook toe, dus het was helemaal geen ontdekking van me. Hij had kennelijk te horen gekregen dat ik hem een bijzonder vreemde dief had genoemd. Toen ik hem sprak, was hij daar een beetje door geïrriteerd. Ik antwoordde: In de renaissance jatten ze alles van de Grieken en de Romeinen. En dat was een bloeitijd in de kunst. Dus: het is juist goed, je moet af en toe jatten van je voorgangers. Bovendien: het verhaal heet Een Bijzonder Vreemde Dief. Nu, er staat hier een boek in de kast dat zo heet, van Ewald Vanvugt. Ik had het zelf ook gejat. Dat is een ironie die geen enkele lezer er uithaalde, maar die voor mij wel grappig was.’

Je hebt vader en zoon Buckley geïnterviewd. Eerst Tim (midden jaren zeventig, vlak voor diens dood) en later Jeff (midden jaren negentig, idem). Ze hebben elkaar nauwelijks gekend, maar jij maakte hen allebei van dichtbij mee. 

‘Met Tim was een mislukt interview in Visrestaurant Lucius in Amsterdam. Dat kwam doordat Tim meer aandacht had voor Susanne Piët, de vriendin van Peter Koops, de Volkskrant-journalist. Herb Cohen, de manager van Buckley was erbij, die ook de manager van Frank Zappa was. Buckley zat te kicken op Susanne. Hij zat met de rug naar me toe. Ik hoorde Susanne Piët zeggen: Die en die ken ik ook, dat is een goede vriend van me. Ze noemde allemaal namen van Amerikaanse journalisten die voor Rolling Stone werkten. Ik dacht: waar blijft de eerste vraag? Weet je voor welk blad ze werkte? Voor de Viva, een damesblad. Het was gewoon vrijerij! Ondertussen zat Koops tegen die Cohen in ongelooflijk slecht Engels te stamelen en te schutteren. Hoor ik Buckley tegen Piët zeggen: I don’t like that guy. Wijzend op Peter Koops. Het was haar vriendje! Maar ze gaf geen sjoege. Als ik een vraag stelde, draaide Buckley zich om en gaf kort antwoord. Zo’n interview was het. Twee weken later speelde Tim op een popfestival in Hilversum, met o.a. The Allman Brothers en Van Morrison. In zijn kleedkamer zei ik tegen Tim: Jammer dat ons interview van de vorige keer een beetje tegenviel. Hij vroeg: Wist je dat die meid met die vent was? Had het me maar gezegd. Hij kwam er pas aan het eind van de middag achter, toen ze samen vertrokken. Een jaar later was hij dood. Twintig jaar daarna interviewde ik Jeff Buckley voor het eerst op Lowlands. Het meisje van CBS zei: Hij wil niet over zijn vader praten, geen vragen over Tim. Jeff speelde vroeg op de dag, want hij was totaal onbekend. Op het eind van ons gesprek zei ik tegen hem: Ik mag niet over je vader vragen, maar ik heb nog een leuke ervaring met hem gehad. Oja? Heb je ’m gesproken? Heb je ’m wel eens geïnterviewd? Vanaf dat moment zat Jeff mij te interviewen. Toen heb ik dat verhaal van Piët verteld. Dat vond hij prachtig. Ik heb Jeff daarna nog twee keer gesproken. Ik vond het iemand waar ik iets in herkende. Hij ging voor het hoogste in de kunst. Dat heb ik ook. De jongen die ook een Nick Drake-film heeft gemaakt, Jeroen Berkvens, is bezig aan een film over live-muziek. Hij ondervroeg me in Paradiso over mijn meest memorabele concert. Nou, dat was Van Der Graaf Generator, in 1975. Dat concert had een impact zoals ik eigenlijk hoop van ieder concert. Na afloop kwam ik er als een ander persoon uit dan degene die naar binnen ging. Je werd als het ware opgetild, het was een bijna occulte ervaring. Dat soort ervaringen lees je bij mensen als ze naar klassieke muziek gaan en bij andere kunsten met een grote K. Dat wil ik ook uit popmuziek halen. Het hoogste.’

Lees ook

Dylan? Nico? Cale? Allemaal nietsnutten volgens Lou Reed. OOR’s Bert van de Kamp mocht de bekende grillen van de rockster even van dichtbij meemaken in 1975 en schreef alles op. Lees hier.

Deel dit artikel

Meest gelezen artikelen

'Voorlopig is ons livecircuit even helemaal Dutch'
muziek in coronatijd

‘Voorlopig is ons livecircuit even helemaal Dutch’

Ook voor de popmuziek zijn het ongekende tijden. In dit blog signaleert en bespreekt OOR-columnist en mede-thuisblijver Hooijer de ontwikkelingen in ...
OOR 11-tal: dit zijn de beste albums van het moment
11-tal

OOR 11-tal: dit zijn de beste albums van het moment

Elke maand selecteren we de beste en belangrijkste albums van het moment. Een elftal niet te missen platen, hand-picked door de ...
Notes On A Conditional Form
album
The 1975

Notes On A Conditional Form

Het moge duidelijk zijn dat het ontstaan én de rappe verspreiding van het coronavirus een van de eerste grote, voor ...

Bert van de Kamp: herinneringen aan 30 jaar popjournalistiek (interview) | OOR