Sinds Fleet Foxes is er ook bij een groter publiek opnieuw veel aandacht voor eerlijke songs van gepassioneerde songschrijvers die niet vies zijn van folk, Crosby, Stills & Nash en een beetje bluegrass. Mumford & Sons klinken alsof ze liever met hun paard en wagen door Ierland en Schotland trekken dan per trein. Wat een prachtige songs schrijft die Marcus Mumford. Ook zijn machtige stem, waarin hij vol overtuiging zijn ziel uitstort, is er een die de zeldzame combinatie van schoonheid, gevoel en kracht in zich draagt.
Deze Londenaren stonden vorig jaar nog in de kleine zaal van Paradiso. Na dit debuut gaat dat allemaal snel veranderen. Omdat hun folk kracht en passie bezit en omdat de zware bassdrum genoeg aanleiding geeft om regelmatig massaal in te haken en mee te stampen. De band is alleen veel minder traditioneel dan The Pogues, de stem van Mumford bezit nagenoeg evenveel passie als die van Caleb Followill (Kings Of Leon), de songs hebben een Frames-achtige diepgang en emotie en de muziek bezit bijna evenveel kracht, dynamiek en bombast als die van Arcade Fire ten tijde van Neon Bible. Heel vreemd is dat laatste niet; Marcus Dravis produceerde ook dat album. Dit wordt een grote band. WILLEM JONGENEELEN