het poparchief

Arno en de blues aan het strand van Oostende (1998)

België neemt vandaag afscheid van zanger en volksheld Arno Hintjens. In AB in Brussel, om precies te zijn, waar zijn urn staat opgesteld voor fans die hem een laatste keer willen groeten. OOR herdenkt de meest markante figuur uit de Belgische pophistorie met een duik in het eigen archief. Terug naar 1998, toen Herman van der Horst de rockzanger meenam naar zijn geboorteplaats Oostende. Met frisse tegenzin, uiteraard.

Het Poparchief komt tot stand in samenwerking met Collectie Nationaal Pop Instituut, onderdeel van het Allard Pierson – De Collecties van de Universiteit van Amsterdam.

Fotografie Fjodor Buis

‘Die zee daar, hè,’ wijst Arno Hintjens, ‘ik vond dat altijd een groot zwembad met boten erin.’ Hij staat er enigszins verloren bij, daar midden op het uitgestrekte winderige strand van Oostende. Als een verdwaalde zwarte raaf, die tevergeefs naar beschutting zoekt. Tijdens onze wandeling naar de branding, klaagt hij voortdurend over een benauwende druk op zijn borst. Het zal toch geen pleinvrees wezen, herhaalt hij alsmaar ongerust.

Jawel, de cosmopolitische grotestadsraaf krijgt op het strand prompt last van pleinvrees. ‘Ik heb me hier nooit lekker gevoeld. Ik had die zee, maar dat was ook alles. Het was een hele nare periode van eenzaamheid en verveling. Alles was hier altijd hetzelfde. Ik voelde me ingesloten en wilde altijd weg. Maar het punt met de zee is: ge kunt daar niet verder, hè, anders verdrink je…’ Als de verplichte foto is genomen en we weer richting boulevard lopen, verzucht hij: ‘Wat een geluk dat ik hier weg ben.’

Arno Charles Hintjens (49) heeft zijn geboorteplaats rond zijn twintigste de rug toegekeerd. Sindsdien leidt hij een rusteloos zwervend bestaan. Momenteel woont hij afwisselend in Brussel en Parijs. Zijn laatste bezoek aan Oostende kan hij zich niet eens meer herinneren. Moet ten minste zo’n vijftien jaar geleden zijn geweest. Ook nu, wanneer wij hem oppikken bij zijn Brusselse woning, staat hij niet te popelen. Hij gaat mee om ons een plezier te doen.

Troosteloos

Hintjens beseft maar al te goed welk een troosteloosheid ons te wachten staat. Hij heeft er zelfs een liedje over gemaakt, No. Job No, Rock, dat staat op zijn recente CD Charles And The White Trash European Blues Connection. De titel zegt het al. Net als zijn eerdere, eigenzinnige bluesproject Charles Et Les Lulus is het als tussendoortje bedoeld, maar het zal wel weer danig uit de hand lopen. Na vier dagen repeteren met de drie jonge muzikanten, heeft hij de hele, hondsrauwe plaat in slechts drie uur opgenomen (‘inclusief theepauzes’) . ‘Dan heb je nog die frisheid. Het smaakt als verse vis uit de zee.’

Eenmaal op koers richting Oostende, komt het gesprek onvermijdelijk bij de affaire Dutroux en het verdriet van België in het algemeen. ‘België is een apenland. Wist U dat? Een land dat niet bestaat en toch meent er vijf verschillende regeringen op na te moeten houden. Het leven in België lijkt op een absurde opera, zonder eind. Alles werkt hier volgens een bizarre logica, die alleen ingezetenen doorgronden en buitenstaanders tot waanzin drijft. ledere Belg is een surrealist, zonder het zelf te beseffen. Zelfs het landschap is surrealistisch.

‘Die mengelmoes van surrealisme en expressionisme, zoals je die ook bij sommige schilders ziet. Dat zijn de Belgen, hè. Dat is onze kracht. Dezelfde mengeling hoor je ook bij dEUS, de Evil Superstars en Dead Man Ray. Maar ik ben ermee begonnen. Ik denk dat alle Belgische muziek voortkomt uit frustratie. En niet alleen muziek, maar alles wat we doen, hè. Hoewel ik denk dat veel van die creativiteit gesmoord wordt door het opkomende Vlaamse chauvinisme. Weet U wat ik ook zo lullig vind? Hoe men in sommige Vlaamse kranten en tijdschriften over Nederlanders spreekt. Ik heb daar valse schaamte over. Vroeger had je Nederlandse moppen over België en nu is dat omgekeerd.’

Prima toch, gelijke munt enzo, werpen wij tegen. ‘Nee, ik vind dat verschrikkelijk. Een underdog is altijd sterker.’ De rest van de autorit staat in het teken van de blues en Howlin’ Wolf in het bijzonder. ‘Howlin’ Wolf, da’s geen Amerikaan, da’s iets met voodoo. Dat is een man van de wereld. Net als Sonny Boy Williamson.’

Zij konden lezen noch schrijven, zeg ik. ‘Ik kan ook niet schrijven. Die mensen zijn werelds. In de jaren zestig konden ze zelfs niet in het hotel slapen of in het restaurant eten waar ze wilden. Dat waren geen Amerikanen. Blues is politiek radicalisme avant la lettre. Die eerste bluesgasten waren vrijheidsstrijders. Die geest, die power. Ze waren onbewuste revolutionairen. Want zij spraken over neuken en al. Devilsmusic. Daarmee kwam je de kerk niet in. Dat werd gespeeld in hoerenkotten.’

Technofreak

Voor Arno telt uitsluitend de onnavolgbare vooroorlogse blues. Muddy Waters en de Wolf beschouwd hij als de laatste der mohikanen. Dat kan nog nét. Van wat er daarna herkauwd wordt, krijgt hij geen erectie. ‘De Claptons enzo, het zijn zulke mensen die de blues kapot maken.’ Hij bewondert degenen die er, net als hij, iets anders mee doen. Hij hoort de bluesgeest terug bij Nirvana, Therapy?, Portishead, de slide van Urban Dance Squad-gitarist René van Barneveld (triomfantelijk: ‘ook een Captain Beefheart-freak, hè!’), rap, Tricky en zelfs in house en techno.

‘Ik ben ook een technofreak, hè. Ik heb veel techno thuis. ‘Kijk, daar stond mijn lagere school,’ zegt Arno wanneer we Oostende binnen rijden. Op de bewuste plek ontwaren wij een met gras bedekte vluchtheuvel. Oostende heeft erg haar best gedaan om alle sporen uit Hintjens verleden uit te wissen. Hij kan ons slechts langs blinde muren en gapende parkeerplaatsen leiden. Gelukkig ligt de zee er nog wel. ‘De Noordzee verandert iedere dag van kleur, van geur en van geluid. En het geluid van de zee spreekt van vele muziekstijlen. Misschien komt dat door havens. Liverpool is ook een haven, net als New York, San Francisco en New Orleans. Havens spelen een sleutelrol in de vermenging van muziek. Zelf ben ik ook een mengelmoes.’

Radicalist

Zijn grootmoeder was een Russisch-Joodse operazangeres. Zijn grootvader was een Rotterdamse kapitein met één oog, die zich in Oostende had gevestigd. Zijn andere grootouders kwamen respectievelijk uit Engeland en Friesland (‘Hintjens is een Friese naam’). Zijn moeder dreef een viswinkel in Oostende. Zijn vader was een overtuigd socialist en een linkse idealist, die in de Spaanse burgeroorlog met Spitfires had gevlogen. Een echte radicalist, aldus Arno. Een reden waarom hijzelf in de opstandige jaren zestig geen uitgesproken politieke idealen koesterde.

‘Dat had ik allemaal al gezien. Ik heb wel een sympathie voor links. Ik draag links. Snapt U? Ik draag mijn lul links. ‘Door mijn ouders heb ik een fantastische jeugd gehad. Dat wil zeggen tot mijn twaalfde. Daarna begon de ellende. Ik begon te stotteren en raakte gefrustreerd. Ik voelde me hier een nobody. Ik wilde me uiten. En ik kon niet spreken, dus moest ik zingen.’

Inmiddels wandelen we door het centrum. Arno mompelt alsmaar hoezeer alles hier veranderd is. Af en toe moet hij zelfs de weg vragen. ‘In de winter was alles hier morsdood. Er gebeurde plotseling niets meer. Dat is de reden waarom ik muziek ben gaan maken. Door die leegheid en die verveling. Dus iedereen leefde naar de zomer toe. Ook financieel, want alles is hier op toerisme gebaseerd. ledere zomer van vroeger staat in mijn geheugen gegrift als een zon die opkomt. Dan kwamen de Engelsen en gingen de clubs open. Zo werd ik geconfronteerd met de eerste beatniks. Voornamelijk Engelse folk- en blues-zangers. Die gasten hadden een vrijheid over zich. Dat sprak me enorm aan. En de vrijheid die muzikanten in de jaren zestig uitstraalden, kun je onmogelijk met nu vergelijken.’

Bluestenten

Arno wijst naar een Engelse pub. Uiteraard gesloten. Voor het raam staat een elektrisch pianootje opgesteld. ‘Dit was een zogenaamd sing-a-song café. Daarvan waren er talloze, speciaal voor de Britse toeristen. Daar stond een drumstel en een toetsenbordje en dan zong iedereen de hele avond: I’m Henry the Eight, I am. Henry the Eight, I am lam. I have married the widow next door, I’ve been married seven times before. En al die liedjes van Vera Lynn.

‘Er waren ook clubs, waar bijna uitsluitend Amerikaanse G.I.’s kwamen. Die volgden een opleiding in België en Duitsland en luisterden voornamelijk naar Creedence en The Doors. Daarnaast kwamen hier de Britse en Franse mods, die ska, Prince Buster en soulmuziek draaiden. En tot slot had je dan de folk- en bluestenten. Ikke? Ik ging naar al die verschillende clubs. Ik heb nooit ergens bij gehoord.

‘Mijn eerste mondharmonica kreeg ik van een Nederlands meisje cadeau. Maar met die Engelse groepen die hier kwamen, durfde ik niet te spelen. Die waren te goed voor mij. Nou ja, dat dacht ik toen, maar dat waren ze niet. Hoewel ze beter waren dan Oasis. Ik was een fan van de Stones, de Kinks, de Animals en de Small Faces. Op de platenhoezen zag ik dat Little Red Rooster geen nummer van de Stones was, maar van een zekere Willie Dixon. Hé, dus die gasten hebben dat niet uitgevonden, dat komt van elders. Zo heb ik de blues leren kennen. De basis van alles.’

Dit is de gebruikelijke weg waarlangs jonge blanken in de jaren zestig de zwarte Amerikaanse muziek ontdekken. Maar er is een cruciaal verschil tussen Hintjens en al die andere nieuwbakken bluesadepten. De meesten proberen niet alleen krampachtig om ‘zwart’ te klinken, ze willen het liefst ook zwart zijn. Daar heeft Hintjens nooit last van gehad. ‘Ik ben zo zwart als een aspirientje,’ luidt zijn verklaring.

Onzinnig

De r&b van zijn eerste groep, het in 1972 met gitarist Paul Decouter opgerichte Tjens-Counter, krijgt door Arno’s komische interpretatie meteen een eigen draai. Na een ontgoochelende reis door de Verenigde Staten in 1980, beseft Hintjens hoe onzinnig het is om Amerikanen te imiteren. Om dat te onderstrepen wordt de groepsnaam veranderd in T.C. Matic. Voortaan wil hij zijn eigen Europese blues maken.

‘Blues is internationaal. Franse chansons beschouwde ik ook als een vorm van blues. Vooral als Edith Piaff ze zong. Da’s de Parijse blues. Of Tante Leen: [begint met een vlekkeloos Amsterdams accent te zingen] Aik ben maarrr een meid die men vergait, een speelbal voor iedere man… Da’s de Jordanese blues. Daarin hoor ik die vermenging met Jiddische muziek. Vergeet niet dat Amsterdam gemaakt is door de Belgische, Franse en Portugese Joden, die voor de Spaanse inquisitie gevlucht waren. Of luister naar de flamingo-muziek, die door de Moren en de zigeuners naar Spanje is gebracht. Het vraag- en antwoordschema van die flamingoteksten – dat is in blues gelijk hetzelfde!

‘Mijn cultuur is ouder en dus rijker dan de Amerikaanse. Maar uitgerekend op muzikaal gebied laten we het vaak afweten. De rijkdom van Amerikaanse muziek komt voort uit de vermenging van rassen. New Orleans-muziek bijvoorbeeld; zo’n Dr. John, die vermengt alles: rumba, r&b, calypso, cajun… Dat vind ik fantastisch. En hier, in Europa, doen ze dat niet. Wij kunnen toch ook Italiaanse muziek mengen met Franse of Duitse. Waarom doen wij dat niet? Als je in de muziek met grenzen leeft, dan ben je arm.’

Stoepkeien

Halverwege een stille winkelstraat ligt café Java Trot, dat Arno vereeuwigd heeft in de T.C. Matic-single Le Java uit 1982. De deur staat open, maar binnen zit niemand. Een handjevol stamgasten zit op de stoep ervoor, alsof ze daar al jaren zitten. Ze zijn met de stoepkeien vergroeid. Een van hen, een dikke man met lange bakkebaarden, hijst zich vermoeid omhoog en waggelt op Arno toe. Het is de eigenaar van het café en ex-T.C. Matic toetsenist Serge Feys.

Arno vraagt om sigaretten en waar hij zijn zaktelefoon kan laten repareren. Maar daarmee is de gespreksstof wel zo’n beetje op en vervolgen wij onze tocht door de stad met de hoogste werkloosheid van Vlaanderen. Sinds vorig jaar ligt de haven plat en daarmee is alle visserij, aanverwante industrie en middenstand verdwenen.

Om de hoek lopen we tegen het Casino op, een grijze kolos pal aan de boulevard gelegen. Arno heeft hier menigmaal opgetreden. Het waren steevast zijn minst gelukte concerten, verklaart hij lachend. Of zou dat komen omdat zowel James Brown als Marvin Gaye hier ook hebben gestaan?

‘Ik ben de slechtste muzikant die er op de wereld bestaat. Maar ik kan nummers maken. Ik kies altijd muzikanten met verschillende achtergronden uit. En die voeg ik samen. Dat is niet gemakkelijk. Je moet ze ongemerkt naar iets toe lellen. Als ik een hele goeie muzikant zou zijn, zou ik hele slechte muziek maken. Soms maak ik nu al slechte muziek; kunt U nagaan. Ik heb liever een valse gitaar, die met emotie gespeeld wordt, dan een goed gestemde gitaar zonder emotie. Hele mooie meisjes vind ik ook lelijk. Schoonheid zit ‘m ook in iets dat aan U vreet. Dat moet krabben. Robert Johnson, bijvoorbeeld, daar kan ik nooit een ganse plaat naar luisteren. Daar word ik raar van. Maar ik ben eraan verslaafd.

‘Ik heb nooit een rock & roll attitude gehad. Het zijn de mensen die dat denken. Ze hebben me in zo’n hokje willen duwen. Eén keer heb ik geprobeerd om met dope op het podium te staan. Dat was verschrikkelijk. Dat lukt niet. Sex & drugs & rock & roll vind ik een naïviteit van hier tot in Siberië. Ik heb daar nooit in geloofd. Tuurlijk, als je jong bent kijk je tegen rock & roll-sterren op. Maar nu is de realiteit veel harder. De druk is groter. In de jaren zestig vlogen de gebraden kikkers zo in Uw mond. Gelukkig ben ik een rock & flop-ster geworden.’

Française

Op het aan de Grote Markt gelegen terras van Brasserij-Café Lette, begint Arno’s pleinvrees weer op te spelen. Hij praat over zijn voormalige rechterhand/producer Jean-Marie Aerts, die hij vlak voor het schitterende album A La Française verwisselde voor de jonge gitarist Geoffry Burton.

‘Ik heb veertien jaar met Jean-Marie gespeeld. Zo lang ben ik van mijn leven nog nooit bij een vrouw geweest. Ik ben heel trouw aan mijn muzikanten, maar soms moet je een keer breken. ledere plaat die ik maak is een periode van mijn leven. A La Française is geschreven voor de moeder van mijn kinderen, dat is een Française (Marie-Laure Béraud). En ik ben daarvan… Wij hebben inmiddels ook gebroken. Dus ik heb die plaat afgeschreven. Intussen heb ik wel nieuwe Franstalige nummers gemaakt, naast Engelstalige en zelfs Vlaamstalige. Aanstonds ga ik misschien een plaat maken over… pleinvrees.’

Ik informeer naar zijn filmcarrière (Arno speelde vorig jaar de hoofdrol in Michel Piccoli’s Les Amoureuses en begint in juli wederom aan een filmrol). ‘Als ik iets doe, dan doe ik dat serieus, hè. Maar ik ben geen acteur. Ik heb een hekel aan muzikanten die acteren en aan acteurs die willen zingen. Maar ik ben geen muzikant en geen acteur. Dus…(lacht].

‘Ik blijf muziek maken tot ik crepeer. Ik leef van mijn eigenheid. Mijn brood is mezelf te zijn. En het mezelf zijn, is muziek maken. Als ik iemand anders wil zijn, dat is werken. En ik wil niet werken. Het gemakkelijkst is Uzelf te zijn. Ik kan maar twee dingen: muziek maken en koken. En voor mijn kinderen zorgen. Soms. Ik leef ook voor mijn kinderen. Maar dat moet U er niet inzetten. Dat is privé.’

Schone sokken

Liever vertelt hij over zijn pelgrimstochten naar de blueswortels in de Mississippi delta en Georgia. ‘Er is daar iets. Een voodoo. Ge merkt dat.’ En in Oostende, willen wij tot slot weten, is hier ook ‘iets’? ‘Jazeker, hier is ook iets,’ zegt Hintjens, terwijl hij bedachtzaam om zich heen speurt. ‘Zweetvoeten. Iedereen is hier proper gekleed. Kleurig, gezellig. Een kopje koffie met een pannekoek. Er zal nooit meer oorlog zijn. Gezellig. En dan ‘s avonds naar de tv kijken. Ja, proper gekleed en schone sokken aan. En de vrouwen allemaal goed gemanicuurd en… Dat is toch geen leven meer. Snapt U dat?’

Tegen de tijd dat we Brussel weer binnenrijden, blijkt Arno op een wonderbaarlijke wijze geheel van zijn pleinvrees genezen. ‘Ik ben met mijn zoon naar de Spice Girls geweest. Awel, dat was niet slecht. Ik dacht: ik zal de ganse tijd in de bar hangen, maar dat was niet slecht. Die zongen echt, hè. Ik heb ze gezien. En een van die Spice Girls heeft naar mij gezwaaid. Een hoogtepunt in mijn carrière.’

We besluiten nog een afzakkertje te nemen in een café vlakbij zijn huis. Arno’s verhalenstroom is niet te stuiten. Ditmaal over rocksterren die van hun voetstuk vallen. Lou Reed die hij geflankeerd door twee bodyguards zag plassen. Status Quo die net zo lang in hun helikopter boven het festivalterrein bleven rondcirkelen, totdat Ziggy Marley’s entourage zich verwijderd had. ‘Want zij wilden geen zwarten backstage, hè. Echt waar!’

Bob Dylan die hoogverraad pleegde door voor de paus te spelen. Maar evengoed Time Out Of Mind gekocht, want die vindt hij toch wel prachtig. ‘Jullie Nederlanders zien alleen de pittoreske en gezellige dingen van België. Maar wist U dat Brussel een van de gevaarlijkste steden van Europa is? Veel onveiliger dan Parijs. Autodiefstal is hier aan de orde van de dag. ‘s Nachts kan geen vrouw veilig over straat.’

Maar hoe grimmig zijn verhalen ook worden, hij vertelt ze altijd met zo’n ondeugend vrolijke twinkeling in de ogen. Achteraf begrijp ik waarom hij zich zo thuis voelt in deze verwarrende en absurde stad. Behalve een ontembare levensgenieter is Arno Hintjens zelf ook een geboren surrealist. Alleen beseft hij dat wel. Wanneer we na afscheid te hebben genomen naar de auto terug lopen, roept hij vanaf het trottoir: ‘En braaf zijn, hè!’

Deel dit artikel

Meest gelezen artikelen

The Cure pakt Ziggo Dome in met onver­woestbaar oeuvre
concert

The Cure pakt Ziggo Dome in met onver­woestbaar oeuvre

Nee, heel verrassend is het allemaal niet natuurlijk. Robert Smith heeft de afgelopen jaren wel vaker een nieuw album van ...
Red Hot Chili Peppers, QOTSA en meer op Pinkpop
nieuws

Red Hot Chili Peppers, QOTSA en meer op Pinkpop

Naast Red Hot Chili Peppers komen ook The War On Drugs, Queens of the Stone Age, The Black Keys, Tash ...
De nieuwe <span class="oor">OOR</span> is uit! Bestel 'm nu in onze shop
oor-shop

De nieuwe OOR is uit! Bestel ‘m nu in onze shop

De nieuwe OOR is uit! Met o.a. Personal Trainer, Neil Young, Warhaus, Weyes Blood, Boudewijn de Groot, Dry Cleaning en ...

Arno en de blues aan het strand van Oostende (1998) (het poparchief) | OOR